Ik heb vrij snel ingezien dat de zogenaamde “menswetenschappen” die aan onze faculteiten Letteren en Menswetenschappen worden gedoceerd, in wezen nog altijd literatuur waren, ook al hadden ze zich kort na mijn studietijd formeel losgemaakt van de licentie Filosofie.
Men zegt dat deze “menswetenschappen”, die tot voor kort aan onze faculteiten Letteren werden onderwezen, een object hadden, de mens met een kleine letter en niet langer met een hoofdletter zoals in een humanisme dat maar niet ophoudt te sterven. En dat klopt.
Maar hoe wisten die letterkundigen, die zich als specialisten van de “menswetenschappen” voor deden, zich daar dan uit te redden? Door de mens op te smukken tot een object dat wetenschappelijk oogt. Van de wetenschap namen zij niet de eis tot formalisering over, maar enkel haar taal en haar uiterlijk, niet meer en niet minder.
Zo begonnen sommige psychologen, die zichzelf “neuropsychologen” doopten, witte jassen te dragen, labo’s in te richten, te meten, te informatiseren, enzovoort. Nu staat buiten kijf dat men in die “labo’s” wel degelijk probeerde “gegevens” te verifiëren, maar dan wel gegevens die nooit gedefinieerd waren.
De sociologen op hun beurt zijn zich op statistiek gaan toeleggen. Maar omdat ook zij geen onderliggend model hadden voor de fenomenen die zij beschreven, konden zij die vanzelfsprekend alleen beschrijven (en niet verklaren). Ze beschreven met cijfers (dat klinkt nu eenmaal geleerder). Maar met statistiek is het zoals met informatica. Als de gegevens die men aan de computer toevertrouwt onzinnig zijn, dan zal de computer dat onzinnige gewoon verwerken (de computer is bereid om om het even wat te verwerken). Met statistiek is het net zo: op een idiote vraag volgt een idioot antwoord.
Er was nog een eigenzinnige “denker” – ik ben zijn naam vergeten – die destijds goed garen spon uit zijn concept “complexiteit”. Ik zeg niet dat hij dom is, verre van, maar hij vindt dat heel het verleden van tafel moet: “Het verloren paradigma is voorgoed verloren, maar ík zal alles opnieuw uitvinden!” Het resultaat is dat hij uiteindelijk niets zegt. En dus verschuilt hij zich, zoals alle letterkundigen, achter de complexiteit van de mens. “Fosfor bestuderen, akkoord. Kalfjes analyseren, dat is al minder eenvoudig, maar in vergelijking met een mens blijft een kalf toch eenvoudiger. De mens daarentegen is zo veel complexer, subtieler, verfijnder.”
Op dat punt in mijn traject kreeg ik, een twintigtal jaar geleden, de uitzonderlijke kans Jean Gagnepain te ontmoeten en tot zijn leerlingenkring te mogen behoren. In de omgang met hem heb ik al snel begrepen dat wie een werkelijk wetenschappelijke kennis van de mens wil verkondigen, eerst de belangrijkste obstakels voor de doorbraak van die nieuwe kennis uit de weg moet ruimen, te beginnen met de fameuze faculteiten Letteren en Menswetenschappen.
Als u bijvoorbeeld teruggaat naar de tijd van de Renaissance, ziet u dat het humanisme pas de bovenhand kon halen toen, onder de aanvallen van Rabelais en de zijnen, het slot op de Sorbonne eindelijk sprong. Maar in die tijd probeerden de “Sorbonicoles” van toen, net als die van vandaag, zich te hervormen, zich aan te passen. Er waren echter anderen, lucider, die hadden begrepen dat elke hervorming bij voorbaat gedoemd was: men moest gewoon iets anders gaan doen. Precies dat had Jean Gagnepain ingezien.
We leven dus niet langer in het tijdperk van het humanisme, maar in dat van het antihumanisme, dat wil zeggen van de behandeling van de mens door de mens, die de opkomst van een echte wetenschap van de mens voorbereidt. Het is hoog tijd dat we ons bewust worden van wat het voornaamste obstakel vormt voor de komst van dit nieuwe tijdperk. Het opleidingsprobleem, niet alleen voor morgen maar nu al, hield in dat moest worden afgerekend met wat er nog van de letterkundigen restte.
Zeker, als de letterkundigen vandaag de vijand zijn, is dat nadat zij het mooiste uithangbord van de humanistische universiteit zijn geweest. Maar zoals Marx zei over de burgerij, zijn zij een noodzakelijk kwaad geweest. Ze hebben hun historische rol gespeeld, namelijk die van, zoals ik daarnet al zei, voorlopers van de menswetenschappen. Vanuit dat perspectief zetten de zogenaamde “zachte” wetenschappen (psychologie, sociologie, politieke wetenschappen) de historische rol van de literatuur voort (inclusief filosofie, schone letteren en geschiedenis). Die historische rol kwam erop neer de mens in de diepvries te steken, om zich intussen beter te kunnen wijden aan de zogenaamde natuurwetenschappen.
Ik bedoel dat deze zogenoemde “zachte” wetenschappen stilaan het veld ruimen voor de “harde” wetenschap van de mens, sinds het werk van dat nog veel te weinig bekende genie Jean Gagnepain, de eigenlijke grondlegger van de experimentele wetenschap van de mens. Een korte toelichting.
Het is Freud die Gagnepain op het spoor heeft gezet van een verklarende klinische benadering, die hem in staat stelde het theoretisch model van de mens dat hij bijna een halve eeuw lang heeft uitgewerkt, onophoudelijk opnieuw ter discussie te stellen. Dat is volstrekt fundamenteel.
De mediatietheorie is zonder meer wat men een klinische antropologie kan noemen. De mediationisten, die samen bekendstaan als de École de Rennes, zijn daarmee de eersten ter wereld die openlijk inzetten op de noodzaak van een wetenschappelijke benadering van de mens, die zich uiteraard een theoretisch model geeft en tegelijk een eigen terrein voor experiment en toetsing. Met andere woorden, de samenhang tussen theorie en klinische praktijkis zo fundamenteel dat men de ene niet van de andere kan losmaken, behalve, zoals ik het meestal zal doen, om de uiteenzetting te vereenvoudigen (men kan nu eenmaal niet alles tegelijk doen).
Ik heb het over Freud gehad, maar dat betekent niet dat Jean Gagnepain zich zonder voorbehoud achter de psychoanalyse schaart. Hij corrigeert de excessen ervan. In de eerste plaats de verbale overdaad, omdat Freud zijn ontdekking van het onbewuste beperkte tot het vlak van het voorstellend bewustzijn, terwijl er ook zoiets bestaat als een technisch “onbewuste”, een sociaal “onbewuste” en een ethisch “onbewuste”. Daarom vervangt Jean Gagnepain het concept onbewuste door dat van het impliciete.
De tweede correctie betreft het historicisme waarin Freud zichzelf heeft opgesloten, het historicisme van de “stadia”, de “regressie” enzovoort. Jean Gagnepain is, om zo te zeggen, niet gewonnen voor de Urszene (“oerscène”), maar voor de Grundszene (“fundamentele scène”).
De tweede voorloper die Jean Gagnepain erkent, is Ferdinand de Saussure en diens structurele opvatting van het verbale teken. De ontdekking van Ferdinand de Saussure (1857–1913) is voor Jean Gagnepain, zoals voor veel Franse intellectuelen, een ware openbaring geweest.
Ten slotte is het de marxistische praxis die Jean Gagnepain heeft geleid naar de theorie van de belichaamde rationaliteit. Met andere woorden, precies dat praxisbegrip, ontleend aan Marx, heeft hem ertoe gebracht de werkelijkheid van de rede als verklarend principe niet buiten de mens te situeren, maar in de mens. En precies daarin ligt het verschil tussen de zogenaamde “wetenschappen van de mens” en de zogenaamde “natuurwetenschappen”.
Daarmee gezegd zijnde, en om af te ronden, wil ik nog iets zeggen over mijn verhouding tot Jean Gagnepain. In het algemeen zou ik zeggen dat de Meester noch degene is voor wie men eerbied koestert, noch degene met wie men breekt: wij leven van hem. Met andere woorden, de Meester respecteren wij nooit, want respect is een teken van dood. Wanneer ik het met u over Jean Gagnepain heb, laat ik hem bestaan. Maar waar ben ik dan zelf? In het uiterste geval doet dat er niet toe. Dat betekent niet dat de herinnering aan Jean Gagnepain op zichzelf niet het respect verdient dat men het menselijke genie verschuldigd is, maar hij kan ons – mij persoonlijk en u via een tussenpersoon – alleen van dienst zijn in de mate waarin wij hem in ons opnemen en er ons eigen werk van maken. Het komt er dan ook niet op aan een Meester op een bepaald moment in de geschiedenis vast te zetten. Dat zou erop neerkomen hem eenvoudigweg te “vernietigen”, om Sartre te parafraseren.
Ik wil daar nog aan toevoegen dat de Meester, als hij een maître à penser is (iets wat in Frankrijk al heel lang niet meer bestaat), in niets op een professor lijkt, integendeel.
Neem Maître Albert in de Middeleeuwen. Wanneer Maître Albert met de Sorbonne overhoop lag, pakte hij zijn boeltje en brak hij met de Sorbonne. Hij vestigde zich dan op het plein in Parijs dat nu zijn naam draagt, Place Maubert. Daar installeerde hij zich, gaf hij zijn lessen in de openlucht en iedereen volgde hem. Hij had charisma, trok de massa aan en hij dacht vrijuit.
Welnu, Jean Gagnepain is, om zo te zeggen, de Maître Albert van de wetenschap van de mens. U begrijpt dat zijn denken onder die omstandigheden kan storen, ja zelfs verontwaardiging kan oproepen, vooral in universitaire kringen.
Des te beter als dit denken, dat ik met u hoop te delen (als u ons de eer verleent ons te volgen), u tot nadenken aanzet.
Jean-Luc Lamotte overleed in het voorjaar van 2015.
