Jean Luc Lamotte

Jean Luc Lamotte

Antropoloog en essayist

Ik heb vrij snel begrepen dat de “menswetenschappen” die aan onze “faculteiten  Letteren en Menswetenschappen” werden onderwezen, nog altijd literatuur bleven,  ook al hadden zij zich kort na mijn studies losgemaakt van de licentie Filosofie. 

Blijkbaar hadden die “menswetenschappen”, die tot voor kort aan onze faculteiten  Letteren werden onderwezen, wel degelijk een object, de mens met een kleine letter,  en niet langer met een hoofdletter, zoals dat het geval was in een humanisme dat  maar niet ophoudt te sterven. Dat klopt ook. 

Maar hoe wisten die letterkundigen, specialisten in de “menswetenschappen”, zich  daaruit te redden? Door de mens op te tuigen om van hem een object te maken dat  wetenschappelijk lijkt. Van de wetenschap namen zij niet haar eis tot formalisering  over, maar haar taal en haar uiterlijk, niets meer en niets minder. 

Zo zijn sommige psychologen, die zich “neuropsychologen” noemden, witte jassen  gaan dragen, laboratoria gaan inrichten, gaan meten, gaan informatiseren  enzovoort. Zeker, in hun “labo’s” probeerde men wel degelijk “gegevens” te  verifiëren, maar gegevens die nooit waren gedefinieerd. 

De sociologen zijn op hun beurt statistieken gaan maken. Maar aangezien ook zij  geen onderliggend model hadden van de fenomenen die zij beschreven, konden zij  die uiteraard alleen beschrijven en niet verklaren. Zij beschreven met cijfers, wat  toch geleerder oogt. Maar statistiek is zoals informatica. Als de gegevens die men aan  de computer toevertrouwt idioot zijn, dan zal de computer die idiotieën verwerken.  De computer is bereid om om het even wat te verwerken. Met statistiek is het precies  hetzelfde. Op een idiote vraag volgt een idioot antwoord. 

Er bleef nog een soort “losse denker” over, van wie ik de naam vergeten ben, die  destijds goed leefde van zijn concept van complexiteit. Ik zeg niet dat hij dom is,  verre van, maar hij meent dat men met het hele verleden komaf moet maken. “Het  verloren paradigma is definitief verloren, maar ik ga alles opnieuw uitvinden.” Het 

resultaat is dat hij niets zegt. Dus verschuilt hij zich, zoals alle letterkundigen, achter  de complexiteit van de mens. “Fosfor bestuderen, akkoord. Kalveren analyseren is al  minder gemakkelijk, maar vergeleken met een mens blijft een kalf toch eenvoudiger.  De mens daarentegen is zoveel ingewikkelder, subtieler, verfijnder.” 

Zo ver stond ik in mijn parcours toen ik, een twintigtal jaar geleden, het  onwaarschijnlijke geluk had Jean Gagnepain te ontmoeten en tot zijn leerlingen te  mogen behoren. In zijn nabijheid heb ik snel begrepen dat het uitdragen van een  werkelijk wetenschappelijke kennis van de mens veronderstelde dat men de  voornaamste obstakels voor de komst van die nieuwe kennis uit de weg ruimde, te  beginnen met die fameuze “faculteiten Letteren en Menswetenschappen”. Als u  bijvoorbeeld teruggaat naar de Renaissance, dan kunt u vaststellen dat het  humanisme pas heeft kunnen zegevieren toen, onder de slagen van Rabelais en de  zijnen, het slot van de Sorbonne werd opengebroken. Maar ook toen probeerden de  “Sorbonicoles” van gisteren, net als die van vandaag, zich te hervormen en zich aan  te passen. Er waren echter anderen, die lucider waren, en die hadden begrepen dat  elke hervorming bij voorbaat gedoemd was. Men moest eenvoudigweg iets anders  doen. Dat is precies wat Jean Gagnepain had begrepen. 

In een tijd dus die niet langer die van het humanisme is, maar die van het  antihumanisme, dat wil zeggen van de behandeling van de mens door de mens,  waarop de opkomst van een echte wetenschap van de mens berust, is het hoog tijd  zich bewust te worden van wat het voornaamste obstakel is voor de komst van dit  nieuwe tijdperk. Het probleem van de vorming, niet alleen voor morgen maar al voor  vandaag, vereiste dat men afrekende met wat er van de letterkundigen nog overbleef.  Zeker, als de letterkundigen vandaag vijanden zijn geworden, dan is dat nadat zij ooit  het mooiste sieraad van de humanistische universiteit zijn geweest. Maar zoals Marx  het over de burgerij zei, zijn zij een noodzakelijk kwaad geweest, hebben zij hun  historische rol gespeeld, namelijk die van, zoals ik u daarnet al zei, pre menswetenschappen te zijn. Vanuit dat oogpunt zetten de zogenoemde “zachte”  wetenschappen, psychologie, sociologie en politieke wetenschappen, de historische  rol van de literatuur voort, met inbegrip van de filosofie, de schone letteren en de  geschiedenis. Die historische rol heeft erin bestaan de mens in de koelkast te zetten  om zich intussen beter te kunnen bezighouden met de zogenoemde  “natuurwetenschappen”. 

Ik bedoel dat die “zachte” wetenschappen plaats ruimen voor de “harde”  wetenschap van de mens, sinds het werk van dat genie dat nog altijd te weinig bekend 

is, Jean Gagnepain, de ware grondlegger van de experimentele wetenschap van de  mens. Een korte toelichting is hier op haar plaats. 

Freud heeft Gagnepain het idee aangereikt van een verklarende kliniek, met andere  woorden van een type kliniek dat hem toeliet het theoretische model van de mens,  waaraan hij bijna een halve eeuw heeft gewerkt, voortdurend opnieuw ter discussie  te stellen. Dat is absoluut fundamenteel. 

De mediatietheorie is wel degelijk wat men een klinische antropologie kan noemen.  De mediationisten, gegroepeerd onder de naam School van Rennes, zijn daarmee de  eersten ter wereld die voluit inzetten op de noodzaak een wetenschappelijke  benadering van de mens tot stand te brengen die zich uiteraard tegelijk van een  theoretisch model én van een plaats voor experimentele toetsing voorziet. Met  andere woorden, de band tussen theorie en kliniek is zo fundamenteel dat men de  ene niet van de andere kan scheiden. Behalve, zoals ik meestal zal doen, uit gemak  van uiteenzetting, want men kan nu eenmaal niet alles tegelijk doen. 

Ik heb over Freud gesproken, maar dat betekent niet dat Jean Gagnepain zich zonder  voorbehoud bij de psychoanalyse aansluit. Hij corrigeert haar excessen. Om te  beginnen de excessen van het verbalisme, omdat Freud zijn ontdekking van het  onbewuste beperkte tot het enige vlak van het representatieve bewustzijn, terwijl er  ook een technisch “onbewuste”, een sociaal “onbewuste” en een ethisch  “onbewuste” bestaat. Daarom vervangt Jean Gagnepain het concept van het  onbewuste door dat van het impliciete. 

Een tweede correctie betreft het historicisme waarin Freud zich heeft opgesloten, het  historicisme van de “stadia”, van de “regressie” enzovoort. Jean Gagnepain staat,  om het zo te zeggen, niet aan de kant van de Urszene, de “primitieve scène”, maar  van de Grundszene, de “fundamentele scène”. 

De tweede voorloper die Jean Gagnepain erkent, is Ferdinand de Saussure en zijn  structurele opvatting van het verbale teken. De ontdekking van Ferdinand de  Saussure, 1857-1913, is voor Jean Gagnepain, zoals voor veel Franse intellectuelen,  een ware openbaring geweest. 

Ten slotte is het de marxistische praxis die Jean Gagnepain naar de theorie van de  belichaamde rationaliteit heeft geleid. Met andere woorden, dat idee van praxis,  ontleend aan Marx, heeft hem ertoe gebracht de werkelijkheid van het verklarende  principe dat de rede vormt, niet buiten de mens maar in de mens zelf te situeren. En 

precies daarin ligt het verschil tussen de zogenoemde “wetenschappen van de  mens” en de zogenoemde “natuurwetenschappen”. 

Nu dit gezegd is, en om af te sluiten, zou ik u nog graag iets zeggen over mijn relatie  tot Jean Gagnepain. In het algemeen zou ik zeggen dat de Meester noch degene is die  men respecteert, noch degene met wie men breekt. Wij leven van hem. Met andere  woorden, de Meester respecteren wij nooit, want respect is een teken van dood.  Wanneer ik u over Jean Gagnepain spreek, laat ik hem voortbestaan. Maar waar ben  ik zelf? Uiteindelijk is dat van geen enkel belang. Dat betekent niet dat de  nagedachtenis van Jean Gagnepain op zichzelf niet waardig zou zijn voor het respect  dat men aan het menselijke genie verschuldigd is, maar hij kan ons, mij persoonlijk  en u via een tussenpersoon, alleen van nut zijn in de mate waarin wij hem ons  werkelijk eigen maken. Onder die omstandigheden kan er geen sprake van zijn een  Meester op een bepaald ogenblik in de geschiedenis stil te zetten. Dat zou hem wel  degelijk “tenietdoen”, om Sartre te parafraseren. 

Ik voeg daaraan toe dat de Meester, als hij al een maître à penser is, wat in Frankrijk  al lang niet meer voorkomt, allerminst iets van een professor heeft, integendeel. 

Neem Meester Albert in de Middeleeuwen. Toen Meester Albert in conflict kwam met  de Sorbonne, nam hij zijn hebben en houden mee en maakte hij zich los, dat wil  zeggen dat hij zich vestigde op het plein in Parijs waaraan hij zijn naam heeft  gegeven, het Place Maubert. Hij streek daar neer, gaf zijn lessen in openlucht, en  iedereen volgde hem. Hij had charisma, trok de menigten aan en dacht vrij. 

Welnu, Jean Gagnepain is, om het zo te zeggen, de Meester Albert van de wetenschap  van de mens. U begrijpt onder die omstandigheden dat zijn denken storend kan zijn,  ja zelfs verontwaardiging kan wekken, vooral in universitaire kringen. 

Des te beter als dit denken, dat ik zal proberen aan u door te geven, mits u “ons” de  eer bewijst “ons” te volgen, u uitnodigt tot reflectie. 

Jean-Luc Lamotte is overleden in het voorjaar van 2015.