Alle tovenaars zijn sinds mensenheugenis in staat de effecten van een plant te herkennen en die kennis door te geven.
Dit boek is alleen beschikbaar in het Frans
Nadat Adrien Morel in deel 1 de mythische redenering heeft aangevallen die de wetenschappelijkheid van de sociale wetenschappen beperkt, zet hij zijn démarche hier voort door zich te richten op het magische karakter van hun praktijken.
Alle beroepen, of zij nu betrekking hebben op de mens of niet — de auteur neemt het voorbeeld van de zeilvaart — ontstaan door empirisch een bepaalde werkzaamheid te ontdekken en op te bouwen, lang voordat men in staat is die te verklaren.
Zo zijn alle tovenaars sinds mensenheugenis in staat de effecten van een plant te herkennen en die kennis door te geven. De wetenschap verschijnt op de dag dat men in staat is die werkzaamheid te verklaren. Tegelijk maakt zij het mogelijk die werkzaamheid te vergroten en te vermenigvuldigen. De betrokken beroepen maken dan de overgang van empirie naar ingenieurswetenschap.
De beroepen die betrekking hebben op de mens vormen daarop geen uitzondering. De wetenschappen die hen aangaan staan nog maar in hun kinderschoenen, en de praktijkmensen verwarren hun empirie nog steeds met een experimentele benadering. Men handelt, maar men weet niet wat men doet, zolang “het werkt”… De moderne sociale wetenschappen zitten zo vol magische praktijken. Sommige vallen er zelfs volledig mee samen.
De auteur behandelt achtereenvolgens psychometrische tests, zoals het IQ, psychotherapieën en neurowetenschappen, zonder onderweg economie, farmacologie en politiek te vergeten… In de kloof tussen de praktijken die zij toepassen en de theorieën waarover zij beschikken om daarvan rekenschap te geven, ontvouwt zich de ruimte van de magie. Op een dag, binnenkort, zal echter een echte ingenieurswetenschap deze empirie opvolgen.
