In de eindfase van de beschavingscyclus waarin wij ons vandaag bevinden, wil Adrien Morel deel uitmaken van de “gidsen naar de volgende wereld”. Zo omschrijft hij zichzelf soms, met een vleugje humor, om duidelijk te maken dat hij wil bijdragen aan de komst van een volgende, meer ontwikkelde vorm van samenleving.
Van meet af aan heeft hij één passie. Het begrijpen van het menselijke. Niet alleen de individuele mens in zijn subjectiviteit, maar de mens in wat hem als soort typeert, uniek en singulier binnen het dierenrijk.
In de lijn van de Europese – en meer bepaald Franse – Verlichtingstraditie heeft die passie voor hem als vanzelf de vorm aangenomen van een rationele benadering, een wetenschappelijke zoektocht. Alles brengt hem er dus logischerwijze toe zich te richten op de menswetenschappen. Om te begrijpen.
Probleem, die menswetenschappen bestaan niet. Althans nog niet helemaal. Ze zijn nog in wording. Niemand is het eens over wat ze zijn, wat ze zouden moeten zijn, of wat men ervan mag verwachten. We zitten in de jaren tachtig, en de strijd woedt in alle hevigheid aan de universiteiten, in de faculteiten psychologie, sociologie en taalwetenschap.
Dan gaat hij elders kijken. Hij gunt de situatie de tijd om te bezinken, verlaat het universitaire milieu en trekt eropuit om de wereld van het bedrijfsleven te verkennen.
Het kantelmoment komt twintig jaar later, wanneer hij, met het gevoel dat hij in de wereld van de informatica en de marketing zo ongeveer alles heeft gezien wat daar voor hem te ontdekken viel, zich ervan bewust wordt dat de situatie in de menswetenschappen intussen niet echt is verbeterd en dat hij misschien juist op dat moment, op die plaats, zelf iets kan bijdragen.
In de tussentijd zijn de verhoudingen tussen de zogenoemde menswetenschappen en de samenleving nauwelijks veranderd. Ze zijn misschien zelfs achteruitgegaan.
Enerzijds omdat deze disciplines, onder het etiket “wetenschap”, overspoeld worden door de nevenproducten van allerlei ideologieën, die zich erin nestelen en het intellectuele veld vertroebelen.
Anderzijds omdat, nadat hij zich eerst van God en vervolgens van de Partij heeft ontdaan, de humanist, burger van de democratieën, zelfs niet meer gelooft in de Wetenschap, althans niet langer als bron van vooruitgang of van een betere toekomst. Het rationalisme gaat achteruit.
Het klassieke humanisme, dat van de filosofen uit de achttiende eeuw, is inderdaad uitgeput. Het heeft zijn tijd gehad. Het humanisme is vandaag niet langer in staat de burger van de westerse democratieën nog een betekenis aan de geschiedenis te geven. De stem van de hedendaagse filosofen heeft het nog slechts over wanhoop, onttovering en “ontgeloof”. En sinds hij nergens nog in gelooft, is de moderne mens ontredderd.
Toch is de geschiedenis allerminst voltooid. Anders dan sommige intellectuelen schrijven, die daarmee alleen hun onvermogen uitdrukken om haar toekomst uit te tekenen, bestaan de antwoorden en oplossingen wel.
We beleven vandaag een nieuwe Renaissance en het “oude Europa” staat dichter dan ooit bij het hernemen van het initiatief en van het gezag op het terrein dat het zijne is: de waarden van de Verlichting en het universalisme van een tot verzoening gekomen beschaving.
Een beschaving die haar toekomst niet langer zoekt in haar instrumenten en technologieën, die moderniteit niet langer met techniciteit verwart, omdat zij er eindelijk in geslaagd is een atheïstische opvatting van de moraal te ontwikkelen. Helaas is zij zich daar niet van bewust.
In werkelijkheid blijven de westerse samenlevingen zichzelf aanmatigend als postmodern definiëren, terwijl zij de ware moderniteit nog niet werkelijk zijn binnengetreden. Die zal zich overigens niet voltrekken op het terrein van de materie- of natuurwetenschappen, die inderdaad al tot rijpheid zijn gekomen, maar op dat van de menswetenschappen, die zich aan de horizon aftekenen.
Wij beschikken immers nu al, vanuit de menswetenschappen, over de middelen om de volgende wereld, de toekomst van onze beschavingen, te doordenken. Maar wie weet dat? We leven in die ongemakkelijke periode waarin de beschaving niet beseft dat zij de oplossing waarop zij wacht al heeft voortgebracht.
Moeten we nu 300 jaar wachten voor we dat beseffen? Nee. We beginnen meteen. Het is niet langer tijd om op consensus te hopen, maar om die zelf tot stand te brengen. Het is tijd de draad van het humanisme weer op te nemen, precies waar hij in de “eeuw van de Verlichting” is blijven steken, en een humanisme van de tweede generatie te ontwerpen.
Gesterkt door dat inzicht besluit hij vervolgens al zijn moed bijeen te rapen en zelf te realiseren wat hij zijn “intellectuele debugkit voor de burger van de democratieën” noemt (voor de anderen ook). Daarvan zijn inmiddels zeven delen verschenen onder het pseudoniem dat hij intussen heeft aangenomen: Adrien Morel.
